Schuilen in de duisternis.
Schuilen in de duisternis is geen daad van slechtheid, maar van angst. We trekken ons terug omdat het licht iets van ons vraagt. Het verlangt dat we gezien worden, zonder omwegen of verontschuldigingen. In het duister behouden we de regie. Daar mogen we ons verbergen, verdraaien, verzachten of verharden, naar gelang wat het minste pijn doet.
Toch weten we diep van binnen wat juist is. Niet omdat we het hebben geleerd, maar omdat er iets in ons is dat helder blijft. Een kern die niet kan breken. Die ziel is niet donker; ze wordt slechts toegedekt. Zoals de zon niet verdwijnt wanneer onweerswolken voor haar schuiven. Het licht is er nog, maar het bereikt ons niet meer.
Deze duisternis bestaat zelden uit pure kwaadwilligheid. Het zijn vaker lagen van misverstand, oude overtuigingen, verhalen die we zijn gaan geloven om te overleven. Leugens die ooit bescherming boden, maar die nu de waarheid overschreeuwen. Ze maken lawaai, ze eisen aandacht, en zo lijkt het alsof zij de werkelijkheid zijn. Toch zijn ze voorbijgaand, als wolken.
Het gevaar schuilt niet in het bestaan van die duisternis, maar in het erin blijven wonen. Want wie te lang in het donker schuilt, begint te denken dat het donker de waarheid is. Dat het licht bedreigend is, of niet voor hem bestemd. Terwijl het licht niets wegneemt. Het ontmaskert alleen wat niet echt is.
Wanneer iemand voorzichtig een kier openzet, gebeurt er iets subtiels. Het licht valt niet binnen als een oordeel, maar als een liefdesstraal. Het herinnert ons aan wie we waren vóór de angst, vóór alle verdedigingsmuren. Dat moment kan pijnlijk zijn, omdat het contrast zo scherp wordt. Maar het is ook bevrijdend, want we ontdekken dat we niet worden ontmaskerd als slecht, maar als mens.
Duisternis verbergt, maar geneest niet. Licht confronteert, maar herstelt. En misschien is dat wel de reden waarom we zo lang wachten. Niet omdat we het goede niet kennen, maar omdat we vrezen wat het van ons zal vragen om het weer toe te laten.
