Door zoveel domheid, eigenwijsheid, dwaling en ondeugd heb ik geploeterd om eindelijk terecht te komen in de stilte en de vrede van mijn hart.
Het was alsof het mijn hart was dat onrust gaf en mij als een speurhond ongeduldig liet zoeken naar wie ik was.
Mijn zoektocht bracht me naar de achterstraten van de stad, naar besneeuwde bergtoppen, naar de diepten van de zee, naar bedwelmende kruiden en goedkope wijn, maar telkens opnieuw wist ik niet wie ik was.
Ik was jaloers op het spelende kind dat lachend zandkoekjes maakte.
Ik zag de eenvoud van de grazende koeien in de weide en de ijver van de nestende vogels en vond geen rust in mezelf.