Vandaag was het stiller dan anders in het bos. Dat viel me op.
Alsof er geen wind of vogels meer waren. Enkel in de verte kraaide een haan en toonde mij de afstand in de stilte.
Ik herinnerde mij de tijd toen ik als kind in bad lag en zo stil bleef liggen dat het water als een spiegel mij doormidden sneed. Dan zakte ik met mijn hoofd het water in zodat mijn oren onder staken. Meestal was het dan ook zo stil.
Ik hoorde plotseling mijn ouders tegen elkaar praten die beneden in de living zaten. Het ging over mij. En als ik mijn adem inhield kon ik elk woord verstaan.
“Polleke zou een plaatsje bij de gemeente moeten krijgen, bij parken en plantsoenen, dan heeft hij later een goed pensioen” zei mijn vader.